RAAD VAN DE EUROPESE UNIE
Brussel, 25 februari 2003 (26.02)
(OR. fr)
6781/03
COPEN 17
INGEKOMEN DOCUMENT
van:
de heer Sylvain BISARRE, directeur, namens de secretaris-generaal van de Europese
Commissie
ingekomen:
20 februari 2003
aan:
de heer Javier SOLANA, secretaris-generaal/hoge vertegenwoordiger
Betreft:
Groenboek van de Commissie: "Procedurele waarborgen voor verdachten in
strafzaken in de gehele Europese Unie"
Hierbij gaat voor de delegaties Commissiedocument COM(2003)
75 def.
________________________
Bijlage: COM(2003) 75 def.
COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
Brussel, 19.2.2003
COM(2003) 75 definitief
GROENBOEK VAN DE COMMISSIE
Procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de gehele
Europese Unie

INHOUD
Inleiding
1. WAAROM EEN OPTREDEN VAN DE EU OP DIT GEBIED AANGEWEZEN IS
1.1. Achtergrond
1.2. Het Verdrag betreffende de Europese Unie
1.3. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
1.4. Mededeling van de Commissie "Naar een ruimte van vrijheid,
veiligheid en rechtvaardigheid"
1.5. Conclusies van Tampere
1.6. Programma van maatregelen inzake wederzijdse erkenning
1.7. Versterking van het wederzijdse vertrouwen
1.8. Vrij verkeer
1.9. Toetredende staten
1.10. Tegemoetkomen aan de vraag
1.11. Het Groenboek van de Commissie inzake een Europese officier
van justitie
1.12. Subsidiariteit
1.13. Naleving en toezicht
2. VASTSTELLING VAN DE GRONDRECHTEN
2.1. Inleiding
2.2. Raadpleging via de JBZ-website
2.3. Vragenlijst voor de lidstaten
2.4. Bijeenkomst van deskundigen
2.5. "Grondrechten"
2.6. Rechten die in het Groenboek niet worden behandeld
3. UIT HET VERDRAG VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN EN BESTAANDE
BEPALINGEN
3.1. Inleiding
3.2. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden
3.3. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
3.4. Andere instrumenten
4. HET RECHT OP JURIDISCHE BIJSTAND EN VERTEGENWOORDIGING DOOR
EEN ADVOCAAT
4.1. Inleiding
4.2. Bestaande bepalingen
4.3. Discussie en vragen
5. HET RECHT OP EEN BEKWAME, GEKWALIFICEERDE (OF ERKENDE) TOLK
EN/OF VERTALER ZODAT DE VERDACHTE WEET WAT HEM TEN LASTE WORDT
GELEGD EN DE PROCEDURE BEGRIJPT
5.1. Inleiding
5.2. Discussie en vragen
5.2.1. Voorzieningenniveau
5.2.2. Wijze van terbeschikkingstelling
6. PASSENDE BESCHERMING VOOR BIJZONDER KWETSBARE GROEPEN
6.1. Inleiding
6.2. Discussie en vragen
7. CONSULAIRE BIJSTAND
7.1. Inleiding
7.2. Discussie en vragen
8. KENNIS VAN DE RECHTEN / VERKLARING VAN RECHTEN
8.1. Inleiding
8.2. Discussie en vragen
9. NALEVING EN TOEZICHT
9.1. Inleiding
9.2. Uitvoering van de evaluatie
9.3. Evaluatie-instrumenten
9.4. Sancties
9.5. Conclusies
Vragen:
Algemeen
Vertegenwoordiging in rechte
Terbeschikkingstelling van gerechtstolken en -vertalers
Bescherming van kwetsbare groepen
Consulaire bijstand
De verklaring van rechten
Evaluatie en toezicht
BIJLAGE
Relevante bepalingen van bestaande verdragen

GROENBOEK VAN DE COMMISSIE
Procedurele waarborgen voor verdachten in strafzaken in de gehele
Europese Unie
Inleiding
Dit Groenboek is de volgende stap in het raadplegingsproces
inzake de totstandbrenging van gemeenschappelijke minimumnormen
voor procedurele waarborgen in alle lidstaten voor personen die
worden verdacht van, beschuldigd van, vervolgd voor of veroordeeld
voor strafbare feiten. In dit Groenboek wordt nagegaan wat de
gemeenschappelijke minimumnormen zouden kunnen zijn en op welke
gebieden zij zouden kunnen worden toegepast.
Het is belangrijk dat de justitiële autoriteiten van elke
lidstaat vertrouwen hebben in de rechtsstelsels van de andere
lidstaten. Vanaf mei 2004 geldt dit voor vijfentwintig lidstaten
in plaats van vijftien. Dit vertrouwen wordt versterkt wanneer
zij vertrouwen hebben in de procedurele waarborgen en de billijkheid
van de procedures. Het is dus wenselijk bepaalde gemeenschappelijke
minimumnormen in de gehele Europese Unie te hebben, hoewel de
wijze waarop die normen worden verwezenlijkt aan de afzonderlijke
lidstaten moet worden overgelaten.
Het afgelopen jaar heeft de Commissie de stand van zaken met
betrekking tot de procedurele waarborgen opgemaakt. Daartoe heeft
zij in januari en februari 2002 op de website van het DG Justitie
en binnenlandse zaken in verscheidene talen een brede discussienota
gepubliceerd. In deze nota zijn de gebieden beschreven waarop
latere maatregelen gericht kunnen zijn en wordt de belanghebbenden
om een reactie gevraagd.
Tegelijkertijd is aan de lidstaten een vragenlijst toegezonden
over diverse aspecten van hun huidige gerechtelijke procedures.
Op basis van de reacties op deze twee documenten heeft de Commissie
bepaald dat de volgende gebieden onmiddellijk kunnen worden onderzocht:
– toegang tot vertegenwoordiging door een advocaat, zowel
voor als tijdens het proces,
– toegang tot vertolking en vertaling,
– de verdachten in kennis stellen van hun rechten (via
de "verklaring van de rechten" (Letter of Rights)),
– ervoor zorgen dat met name kwetsbare verdachten naar
behoren worden beschermd,
– consulaire bijstand voor buitenlandse gedetineerden.
Na een discussie over de vraag waarom een optreden van de EU
op dit gebied aangewezen is, zal dit Groenboek dan ook gericht
zijn op deze vijf gebieden en ingaan op de wijze waarop moet
worden geëvalueerd of de lidstaten aan hun verplichtingen
voldoen. De resterende rechten waarvan werd aangegeven dat zij
moeten worden onderzocht, zullen de basis vormen van verdere
werkzaamheden van de Commissie. De prioriteiten moeten worden
herzien in het licht van de uitbreiding.
Dit Groenboek bevat een aantal specifieke vragen. Antwoorden
op deze vragen en algemene opmerkingen kunnen, bij voorkeur uiterlijk
op 15 mei 2003, naar het volgende adres worden gezonden:
Europese Commissie
Directoraat-generaal Justitie en binnenlandse zaken
Eenheid B3 - Justitiële samenwerking in strafzaken
B-1049 Brussel
België
Fax: + 32 2 296 7634
T.a.v. Caroline Morgan
Of per e-mail naar:
caroline.morgan@cec.eu.int
De Commissie is voornemens in 2003 een openbare hoorzitting
te organiseren over procedurele waarborgen voor verdachten in
strafzaken in de gehele Europese Unie.
1. WAAROM EEN OPTREDEN VAN DE EU OP DIT GEBIED AANGEWEZEN IS
1.1. Achtergrond
Gedurende vele jaren heeft de Europese Unie, of de Europese Gemeenschap,
geen uitdrukkelijke bevoegdheid gehad ten aanzien van de mensenrechtenaspecten
van strafzaken. Het Europese Hof van Justitie (hierna: "het
Hof") werd soms ingeschakeld om de relatie tussen de communautaire
rechtsorde en de mensenrechten onder de loep te nemen en het
heeft enkele constructieve uitspraken[1] gedaan, maar de Europese
Gemeenschap had geen instrument of standpunt met betrekking tot
de rechten inzake een eerlijk proces. Het Hof achtte het echter
belangrijk dat deze rechten werden geëerbiedigd[2]. Gezien
het ontbreken van Verdragsbepalingen terzake, was het Hof de
belangrijkste bron van beleid op het gebied van de rechten inzake
een eerlijk proces. In 1996 oordeelde het Hof dat de Gemeenschap "bij
de huidige stand van het Gemeenschapsrecht" niet bevoegd
was om toe te treden tot het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens (EVRM) [3], maar tegen die tijd deden
bepalingen inzake een eerlijk proces hun intrede op communautair
niveau. Het in 1992 ondertekende Verdrag van Maastricht[4] bepaalde
dat aangelegenheden op het nieuwe gebied van justitie en binnenlandse
zaken "worden behandeld met eerbiediging van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden van 4 november 1950"[5]. Deze "aangelegenheden
van gemeenschappelijk belang" omvatten justitiële samenwerking
en politiële samenwerking met het oog op het bestrijden
van terrorisme en andere ernstige vormen van criminaliteit. In
1997 werd het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) uitdrukkelijk
gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, dat de bevoegdheid van
de EU inzake van politiële en justitiële samenwerking
in strafzaken verruimde met het oog op de totstandbrenging van
een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Een
van de onderliggende beginselen, uitgedrukt in artikel 6, was
de eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden in de Unie.
1.2. Het Verdrag betreffende de Europese Unie
Vanaf 1997, toen het Verdrag van Amsterdam werd ondertekend,
ziet de Europese Unie, die verklaarde dat zij "gegrondvest" was
op eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden, erop toe dat deze rechten en vrijheden binnen haar
grenzen worden geëerbiedigd. Artikel 7 VEU voorziet in
zeer strenge sancties voor niet-naleving van de verplichting
deze rechten te eerbiedigen. Dit initiatief vloeit voort uit
die verklaring.
Het VEU, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Nice, trad in februari
2003 in werking.
De artikelen 6 en 7 luiden:
"Artikel 6
1. De Unie is gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie,
eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
en van de rechtsstaat, welke beginselen de lidstaten gemeen hebben.
2. De Unie eerbiedigt de grondrechten, zoals die worden gewaarborgd
door het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden en zoals zij uit de gemeenschappelijke constitutionele
tradities van de lidstaten voortvloeien, als algemene beginselen
van het Gemeenschapsrecht.
(…)
4. De Unie voorziet zich van de middelen die nodig zijn om haar
doelstellingen te verwezenlijken en haar beleid ten uitvoer te
leggen.
Artikel 7
1. Op een met redenen omkleed voorstel van een derde van de
lidstaten, het Europees Parlement of de Commissie kan de Raad,
na instemming van het Europees Parlement, met een meerderheid
van vier vijfden van zijn leden constateren dat er duidelijk
gevaar bestaat voor een ernstige schending van in artikel 6,
lid 1, genoemde beginselen door een lidstaat, en die lidstaat
passende aanbevelingen doen. Alvorens die constatering te doen,
hoort de Raad de betrokken lidstaat en kan hij volgens dezelfde
procedure onafhankelijke personen vragen binnen een redelijke
termijn een verslag over de situatie in die lidstaat voor te
leggen. De Raad gaat regelmatig na of de redenen die tot zijn
constatering hebben geleid nog bestaan.
2. De Raad, in de samenstelling van de staatshoofden en regeringsleiders,
kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van een derde van
de lidstaten of van de Commissie, en na de instemming van het
Europees Parlement te hebben verkregen, een ernstige en voortdurende
schending door een lidstaat van in artikel 6, lid 1, genoemde
beginselen constateren, na de regering van de lidstaat in kwestie
om opmerkingen te hebben verzocht.
3. Wanneer de in lid 2 bedoelde constatering is gedaan, kan
de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten
tot schorsing van bepaalde rechten die uit de toepassing van
dit Verdrag op de lidstaat in kwestie voortvloeien, met inbegrip
van de stemrechten van de vertegenwoordiger van de regering van
die lidstaat in de Raad. De Raad houdt daarbij rekening met de
mogelijke gevolgen van een dergelijke schorsing voor de rechten
en verplichtingen van natuurlijke en rechtspersonen. De verplichtingen
van de lidstaat in kwestie uit hoofde van dit Verdrag blijven
in ieder geval verbindend voor die lidstaat.
4. De Raad kan naderhand met gekwalificeerde meerderheid van
stemmen besluiten om krachtens lid 3 genomen maatregelen te wijzigen
of in te trekken in verband met wijzigingen in de toestand die
tot het opleggen van de maatregelen heeft geleid.
5. Voor de toepassing van dit artikel besluit de Raad zonder
rekening te houden met de stem van de vertegenwoordiger van de
regering van de lidstaat in kwestie. Onthouding van stemming
door aanwezige of vertegenwoordigde leden vormt geen beletsel
voor het aannemen van de in lid 2 bedoelde besluiten. Een gekwalificeerde
meerderheid wordt omschreven als hetzelfde aandeel van de gewogen
stemmen van de betrokken leden van de Raad als vastgelegd in
artikel 205, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap. Dit lid is eveneens van toepassing wanneer stemrechten
worden geschorst op grond van lid 3.
6. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 besluit het Europees
Parlement met een meerderheid van twee derden der uitgebrachte
stemmen en tevens bij meerderheid van zijn leden."
1.3. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
In december 2000 hebben de Europese Commissie, de Raad en het
Parlement gezamenlijk het Handvest van de grondrechten van
de Europese Unie ondertekend en plechtig afgekondigd. Het Handvest
van de grondrechten omvat alle burgerlijke, politieke, economische
en sociale rechten van de Europese burgers; het is een synthese
van de gemeenschappelijke constitutionele tradities en internationale
verplichtingen van de lidstaten. Een belangrijk aspect van
het Handvest is dat het bevestigt dat de Europese Unie een
politieke gemeenschap is en niet slechts een economische organisatie.
Bovendien is erin vastgelegd dat eerbiediging van de grondrechten
ten grondslag ligt aan alle Europees recht.
De beschreven rechten zijn in zes hoofdstukken verdeeld: waardigheid,
vrijheden, gelijkheid, solidariteit, burgerschap en rechtspleging.
Het relevante hoofdstuk van het Handvest is hier "Rechtspleging" (artikelen
47-50). Evenals in het EVRM is hierin het recht op een eerlijk
proces verankerd. Het voorziet in het vermoeden van onschuld
en het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake delicten
en straffen. Voorts wordt het ne bis in idem-beginsel tot de
gehele EU uitgebreid.
1.4. Mededeling van de Commissie "Naar een ruimte van vrijheid,
veiligheid en rechtvaardigheid"
In juli 1998 heeft de Commissie haar visie inzake een "ruimte
van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid" in een mededeling
uiteengezet[6]. Deze mededeling beoogde te onderzoeken wat op
het gebied van "rechtvaardigheid" zou moeten worden
verwezenlijkt. Het doel zou moeten zijn de burgers in de gehele
Unie een gemeenschappelijk rechtvaardigheidsgevoel te geven.
Dit zou moeten worden bereikt door het gemakkelijker te maken
degenen die een bedreiging vormen voor de vrijheid en veiligheid
van individuen en van de samenleving, voor de rechter te brengen
en ervoor te zorgen dat de rechten van het individu worden geëerbiedigd.
Een minimumnorm voor de bescherming van de rechten van het individu
zou het noodzakelijke tegenwicht moeten vormen voor maatregelen
inzake justitiële samenwerking die de bevoegdheden van openbare
aanklagers, gerechtelijke instanties en opsporingsambtenaren
verruimen. De Commissie heeft zich er in de mededeling toe verbonden
te streven naar "eerbiediging van de rechten van het individu".
1.5. Conclusies van Tampere
In zijn conclusies onderschreef de Europese Raad van Tampere
van 1999[7] het beginsel van wederzijdse erkenning als "de
hoeksteen van de justitiële samenwerking"[8]. Voorts
werd verklaard dat een "versterkte wederzijdse erkenning
van rechterlijke beslissingen en vonnissen en de noodzakelijke
onderlinge aanpassing van de wetgevingen [...] de samenwerking
tussen de autoriteiten en de justitiële bescherming van
de rechten van het individu ten goede [zouden] komen"[9]
(punt 33).
1.6. Programma van maatregelen inzake wederzijdse erkenning
De mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement
van 26 juli 2000 over wederzijdse erkenning van definitieve
beslissingen in strafzaken[10] bepaalt in punt 10, getiteld "Bescherming
van de rechten van het individu" dat "er [...] daarom
op [moet] worden toegezien dat de behandeling van verdachten
en de rechten van de verdediging niet alleen niet in het gedrang
komen door de toepassing van dit beginsel [van wederzijdse
erkenning], maar zelfs beter worden gewaarborgd".
De inleiding van het programma van maatregelen om uitvoering
te geven aan het beginsel van wederzijdse erkenning van strafrechtelijke
beslissingen[11] van de Raad van 15 januari 2001 bepaalt: "Wederzijdse
erkenning moet de samenwerking tussen de lidstaten en de bescherming
van de rechten van het individu versterken." [12] Het programma
noemt 24 specifieke maatregelen inzake wederzijdse erkenning,
waarvan er enkele, zoals het Europees aanhoudingsbevel, zijn
verwezenlijkt[13]. Voorts wordt verklaard: "Op elk van die
gebieden hangt de omvang van de wederzijdse erkenning nauw samen
met het bestaan en de inhoud van bepaalde parameters die de doeltreffendheid
ervan bepalen." Deze parameters omvatten "regelingen
voor de bescherming van de rechten van […] verdachten" (parameter
3) en "de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen,
die noodzakelijk zijn om de toepassing van het beginsel van wederzijdse
erkenning te vergemakkelijken" (parameter 4). Nu is het
belangrijk om ervoor te zorgen dat aan de doelstelling van het
programma om de bescherming van de rechten van het individu te
versterken, concreet gestalte wordt gegeven, rekening houdend
met deze parameters.
Om de in de bovengenoemde maatregelen gedane toezegging gestand
te doen, heeft de Commissie dit initiatief genomen met het oog
op de vaststelling van minimumwaarborgen voor verdachten in strafzaken
in de gehele Europese Unie. Het voorbereidende werk op dit gebied
heeft een aantal overwegingen opgeleverd waarop nu nader moet
worden ingegaan.
1.7. Versterking van het wederzijdse vertrouwen
Wederzijdse erkenning berust op wederzijds vertrouwen in de rechtsstelsels
van de lidstaten. Om wederzijds vertrouwen te bewerkstelligen,
is het wenselijk dat de lidstaten een standaardset van procedurele
waarborgen voor verdachten vaststellen. Het gewenste eindresultaat
van dit initiatief is dus de mate van harmonisatie te achterhalen
die het wederzijdse vertrouwen in de praktijk zal bevorderen.
Alle lidstaten van de EU hebben het belangrijkste verdrag ondertekend
waarin deze normen verankerd zijn, het Europees Verdrag tot
bescherming van de rechten van de mens, en dit geldt ook voor
alle toetredende staten en kandidaat-lidstaten, dus het mechanisme
om wederzijds vertrouwen te bewerkstellingen bestaat al. Het
is nu zaak praktische instrumenten te ontwikkelen om de zichtbaarheid
en de doeltreffende werking van die normen op EU-niveau te
bevorderen. Het doel van dit Groenboek is ook om ervoor te
zorgen dat deze rechten in de EU niet "theoretisch of
illusoir" zijn, maar "praktisch en effectief".
Verschillen in de manier waarop de rechten van de mens in de
praktijk in nationale procedureregels worden omgezet, wijzen
niet noodzakelijkerwijs op schendingen van het EVRM. Verschillende
praktijken dragen echter het risico in zich dat het wederzijds
vertrouwen, waarop de wederzijdse erkenning berust, wordt geschonden.
Om deze reden is een optreden van de EU krachtens artikel 31,
lid 1, onder c), van het VEU gerechtvaardigd. Dit optreden
behoeft niet te betekenen dat de lidstaten worden verplicht
hun wetboek van strafvordering ingrijpend te wijzigen, maar
moet veeleer de vorm aannemen van "Europese optimale werkwijzen" die
beogen de praktische werking van deze rechten efficiënter
en beter zichtbaar te maken. Uiteraard mag hierdoor het huidige
niveau van bescherming in de lidstaten in geen geval worden
verlaagd.
1.8. Vrij verkeer
Zoals de Commissie in haar mededeling van 14 juli 1998 "Naar
een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid" heeft
verklaard, moeten procedureregels ongeveer dezelfde waarborgen
bieden ter voorkoming van ongelijke behandeling van mensen naar
gelang van het rechtsgebied waar hun zaak wordt behandeld. De
EU-burgers en de in de EU gevestigde personen mogen verwachten
in de gehele EU gelijkwaardige waarborgen in strafzaken aan te
treffen.
1.9. Toetredende staten
Tijdens de Europese Raad van Kopenhagen in 1993 hebben de lidstaten
de toetredingscriteria[14] voor kandidaat-lidstaten vastgesteld,
inclusief een garantie dat de mensenrechten worden geëerbiedigd.
Tijdens de Europese Raad van Kopenhagen in 2002 werden de toetredingsonderhandelingen
met 10 landen[15] afgerond. Zij zullen op 1 mei 2004 toetreden,
afhankelijk van de respectieve ratificatieprocedures. De afronding
van de onderhandelingen betekent uiteraard dat de toetredende
staten worden geacht aan de toetredingscriteria te voldoen.
Het toetredingsverdrag zal een vrijwaringsclausule voor vraagstukken
op het gebied van Justitie en binnenlandse zaken bevatten voor
het geval dat er in een nieuwe lidstaat ernstige tekortkomingen
zijn of dreigen met betrekking tot de omzetting, tenuitvoerlegging
of toepassing van het acquis inzake wederzijdse erkenning in
burgerlijke zaken en strafzaken.
De Commissie zal tot de toetreding blijven toezien op de nakoming
van de verbintenissen die de toetredende staten tijdens de onderhandelingen
onder meer op het gebied van Justitie en binnenlandse zaken zijn
aangegaan.
1.10. Tegemoetkomen aan de vraag
Van verschillende kanten (bijvoorbeeld de civiele maatschappij
en mensenrechtenorganisaties, de relevante media en het Europees
Parlement) wordt de Commissie steeds vaker gevraagd actie op
dit terrein te ondernemen. Dit geldt des te meer omdat het
het logische tegenwicht is voor andere maatregelen inzake wederzijdse
erkenning[16]. Voorts is er het argument dat de Commissie het
initiatief moet nemen om te zorgen voor gelijkwaardigheid in
de gehele EU; wanneer hierover een akkoord wordt bereikt, moet
het risico worden vermeden dat een bijzondere nationale of
geografische rechtstraditie een negatieve weerslag heeft op
de uiteindelijke tekst. Hopelijk zal een initiatief van de
Commissie een neutrale tekst opleveren.
1.11. Het Groenboek van de Commissie inzake een Europese officier
van justitie
In haar Groenboek inzake de strafrechtelijke bescherming van
de financiële belangen van de Gemeenschap en de instelling
van een Europese officier van justitie, dat op 11 december 2001[17]
werd goedgekeurd, is de Commissie ook ingegaan op het probleem
van passende procedurele waarborgen op EU-niveau, vanuit het
standpunt van een mogelijke Europese openbare aanklager die leiding
geeft aan onderzoeken in de gehele Unie. Het raadplegingsproces
dat met het Groenboek inzake de Europese officier van justitie
op gang werd gebracht, heeft een impuls gegeven aan de discussie
over het algemene vraagstuk van de passende bescherming van de
rechten van het individu in de gehele EU, en er aldus toe bijgedragen
dat de behoefte aan een specifiek initiatief terzake duidelijk
werd.
1.12. Subsidiariteit
Ondanks het bovenstaande moet worden ingegaan op het argument
dat het subsidiariteitsbeginsel bepaalt dat de lidstaten recht
hebben op autonomie op dit gebied[18]. Het subsidiariteitsbeginsel
is bedoeld om ervoor te zorgen dat beslissingen zo dicht mogelijk
bij de burger worden genomen en dat wanneer wordt opgetreden
op het niveau van de Gemeenschap, dit gerechtvaardigd is gelet
op de beschikbare opties op nationaal, regionaal of plaatselijk
niveau. Dit betekent dat de EU slechts moet optreden indien
dit duidelijk doeltreffender zou zijn dan een optreden op nationaal,
regionaal of plaatselijk niveau. Het subsidiarteitsbeginsel
houdt nauw verband met het evenredigheids- en het noodzakelijkheidsbeginsel,
die inhouden dat het optreden van de EU niet verder moet gaan
dan wat nodig is om de doelstellingen van het Verdrag te bereiken.
De Commissie is van oordeel dat op dit gebied alleen een optreden
op EU-niveau op doeltreffende wijze voor gemeenschappelijke normen
kan zorgen. Thans hebben de lidstaten op nationaal niveau voldaan
aan hun verplichtingen inzake een eerlijk proces, die hoofdzakelijk
voortvloeien uit het EVRM, en dit heeft geleid tot discrepanties
tussen de waarborgen die in de verschillende lidstaten gelden.
Zoals in punt 1.7 is uitgelegd, kunnen dergelijke discrepanties
verhinderen dat het proces van wederzijdse erkenning in de praktijk
volledig tot ontplooiing komt. Het is dus nodig om via concrete
maatregelen inzake de opstelling van gemeenschappelijke normen
een echt wederzijds vertrouwen op te bouwen in de wijze waarop
die rechten in de gehele EU worden geëerbiedigd. In een
voorstel van de Commissie zou rekening worden gehouden met specifieke
nationale omstandigheden. In het actieplan van de Raad en de
Commissie over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam
inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid
en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd[19], wordt
uitdrukkelijk verklaard dat: "het subsidiariteitsbeginsel,
dat van toepassing is op alle aspecten van het optreden van de
Unie, [...] van bijzonder belang [is] voor het creëren van
een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid".
Wat de specifieke doelstellingen van het VEU betreft, die de
rechtsgrond en de motivering voor dit initiatief vormen, zijn
de relevante bepalingen:
Artikel 31 VEU:
"Gezamenlijk optreden inzake justitiële samenwerking
in strafzaken omvat:
a) het vergemakkelijken en het bespoedigen van de samenwerking
tussen de bevoegde ministeries en de justitiële of gelijkwaardige
autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot procedures en
de tenuitvoerlegging van beslissingen;
[..]
c) het waarborgen van de verenigbaarheid van de in de lidstaten
geldende voorschriften, voorzover nodig ter verbetering van die
samenwerking;[…]" hetgeen moet worden afgezet tegen:
Artikel 33 VEU:
"Deze titel [titel VI] laat de uitoefening van de verantwoordelijkheden
van de lidstaten ten aanzien van de handhaving van de openbare
orden en de bescherming van de binnenlandse veiligheid onverlet."
Procedureregels beter vergelijkbaar maken is een manier voor "het
waarborgen van de verenigbaarheid ervan", en dit kan alleen
worden verwezenlijkt door een optreden op EU-niveau.
1.13. Naleving en toezicht
Het is essentieel dat rechten in de lidstaten snel en op uniforme
wijze kunnen worden uitgeoefend. De lidstaten hebben de plicht
om ervoor te zorgen dat hun eigen strafrechtstelsel efficiënt
en eerlijk werkt zodat het Europees Hof voor de Rechten van
de Mens zijn functie als hof van laatste instantie behoudt
en niet zodanig wordt overstelpt met beroepen dat het ook log
wordt.
Het laatste gebied waarop in dit Groenboek wordt ingegaan, zal
daarom zijn hoe de naleving van een eventuele EU-maatregel kan
worden beoordeeld en gewaarborgd. Het is passend dat de Commissie
een rol speelt bij het toezicht en de beoordeling, gebruik makend
van de informatie die door de lidstaten of door een onafhankelijk
team van deskundigen wordt verstrekt. Zodra een kaderbesluit
is goedgekeurd, is het aan de Commissie om ervoor te zorgen dat
enerzijds de lidstaten de nodige wetgeving ter uitvoering van
het kaderbesluit hebben goedgekeurd en anderzijds dat deze op
de juiste wijze wordt toegepast.
Vraag 1:
Is het aangewezen een initiatief op het gebied van procedurele
waarborgen op het niveau van de Europese Unie te nemen?

2. VASTSTELLING VAN DE GRONDRECHTEN
2.1. Inleiding
Dit Groenboek is het resultaat van een langdurig proces van raadpleging
van de betrokken partijen (zoals advocaten en deskundigen op
dit terrein) en vertegenwoordigers van de overheid. De Commissie
moest weten welke rechten momenteel door de wetgeving van de
lidstaten worden beschermd en welke rechten door deskundigen
op dit terrein essentieel worden geacht voor een eerlijk proces.
Voorts wilde de Commissie zo snel mogelijk handelen, aangezien
deze kwestie de kern van het programma voor wederzijdse erkenning
vormde, en verschillende van de maatregelen die dit programma
vormen, reeds gaande waren. Grotendeels om deze reden heeft de
Commissie besloten geen enquête te houden. De ervaring
leert dat een door een onafhankelijke onderzoeksinstelling uitgevoerde
enquête een langdurige aangelegenheid kan zijn met wisselende
resultaten. Daarom heeft de Commissie besloten zo veel mogelijk
onderzoek zelf te verrichten en een brede raadpleging te organiseren,
om het standpunt van zo veel mogelijk partijen te vergaren. Haar
belangrijkste onderzoeksinstrument was dus de raadpleging, met
name via haar website, maar zij heeft ook deskundigen van diverse
NGO's ontvangen - zij was blij hun standpunten te horen - en
vertegenwoordigers naar relevante conferenties en seminars gezonden.
Voorts heeft de Commissie een bescheiden enquête naar de
huidige bepalingen in de lidstaten verricht in de vorm van een
vragenlijst.
Begin 2002 werd op de website van het directoraat-generaal Justitie
en binnenlandse zaken[20] (JBZ) in verschillende talen een discussienota
gepubliceerd waarop veel reacties zijn gekomen. De Commissie
heeft ongeveer 100 bijdragen ontvangen (van overheidsdiensten,
beroepsorganisaties, NGO's en particulieren).
Destijds heeft zij ook aan de ministeries van Justitie van alle
lidstaten de vragenlijst over de huidige situatie binnen hun
strafrechtstelsel toegezonden. Zodra de Commissie de reacties
op de discussienota en de vragenlijst had ontvangen en geanalyseerd,
kon zij een groep deskundigen bijeenbrengen voor een intensieve
discussie.
Op 7/8 oktober vond een bijeenkomst plaats van 50 deskundigen,
bestaande uit door de lidstaten aangewezen vertegenwoordigers
(1 per lidstaat), door de Commissie gekozen academici/beroepsbeoefenaren
(1 per lidstaat) en vertegenwoordigers van NGO's.
2.2. Raadpleging via de JBZ-website
De discussienota was de eerste stap bij het verzamelen van de
standpunten van deskundigen. In dit vroege stadium was de Commissie
er niet zeker van welke gebieden als prioriteiten zouden worden
beschouwd, en evenmin hoe veel zou kunnen worden bestreken
door één maatregel. Zij heeft daarom alle rechten
die wellicht in een toekomstig Groenboek aan de orde zouden
komen, in de discussienota opgenomen om na te gaan welke rechten
buiten de Commissie werden beschouwd als de belangrijkste rechten
die op Europees niveau moesten worden gewaarborgd.
De Commissie heeft meer dan 100 reacties ontvangen, van eenvoudige
vragen tot omvangrijke stukken waarin werd ingegaan op alle in
de discussienota aan de orde gestelde vraagstukken. De antwoorden
zijn afkomstig van studenten, beroepsbeoefenaren, beroepsorganisaties
van advocaten (zoals de Orde van advocaten), overheidsdiensten,
organisaties op het gebied van burgerlijke vrijheden en academici.
Er zijn reacties van onderdanen van bijna alle lidstaten ontvangen.
In haar discussienota heeft de Commissie met name om opmerkingen
gevraagd over de volgende punten:
(i) of het wenselijk was een mechanisme in te voeren om ervoor
te zorgen dat verdachten op de hoogte waren van hun rechten (de
verklaring van de rechten),
(ii) op welke wijze kan worden gezorgd voor een hoog niveau
van bescherming voor kwetsbare groepen, en
(iii) deze specifieke rechten:
a. het recht om voor onschuldig te worden gehouden totdat de
schuld is bewezen;
b. het recht om iemand op de hoogte te laten stellen van de
detentie;
c. het recht op juridisch advies en bijstand;
d. het recht op een bekwame, gekwalificeerde (of erkende) tolk
en/of vertaler;
e. in voorkomend geval het recht op borgtocht (voorlopige invrijheidstelling);
f. het recht om niet te kunnen worden verplicht tot zelfbeschuldiging;
g. het recht op consulaire bijstand (indien betrokkene geen
onderdaan is van de staat van vervolging);
h. zorgvuldigheid bij het verkrijgen van en omgaan met bewijsmateriaal
(inclusief de openbaarmakingsplicht voor de openbare aanklager);
i. het recht om beslissingen te laten toetsen en/of beroep in
te stellen;
j. specifieke waarborgen inzake detentie, zowel voor als na
veroordeling;
k. ne bis in idem.
De Commissie wilde ook graag meningen horen over verstekprocedures.
De discussienota werd enthousiast onthaald door mensen die op
dit terrein werkzaam zijn, en de Commissie was de geënquêteerden
zeer dankbaar voor hun constructieve bijdragen en advies. De
organisaties van vertalers en tolken hebben bijzonder goed geholpen,
aangezien de Commissie over dit gespecialiseerde gebied het minst
informatie had. Vele geënquêteerden waren ingenomen
met de suggestie van een verklaring van de rechten, een kort
document dat zo vroeg mogelijk, wellicht reeds bij de aanhouding,
aan verdachten wordt gegeven. Om deze reden, en omdat het een
kosteneffectieve en gemakkelijk uitvoerbare maatregel is, heeft
de Commissie besloten dit op te nemen bij de voorstellen die
in het Groenboek worden gedaan.
2.3. Vragenlijst voor de lidstaten
Begin 2002 werd via de vertegenwoordigingen van de lidstaten
in Brussel ook een vragenlijst aan de regeringen toegezonden.
Deze bevatte vragen over vele aspecten van hun strafrechtstelsels,
zoals de begroting voor rechtsbijstand, het verstrekken van
rechtsbijstand, het verstrekken van vertaling/vertolking in
strafzaken en de identificatie en behandeling van kwetsbare
verdachten. De vragen werden in de meeste gevallen beantwoord
door de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken van
de lidstaten, maar soms ook door de bureaus voor de statistiek
en andere overheidsdiensten.
Uit de antwoorden kon de Commissie zich een beeld vormen van
de bestaande voorzieningenniveaus en vaststellen waar een optreden
van de Commissie het doeltreffendst zou zijn. Het is met name
duidelijk geworden dat rechtsbijstand in de lidstaten op zeer
uiteenlopende manieren wordt verstrekt en dat er wat kwetsbare
verdachten betreft, alleen overeenstemming over bestond dat kinderen
als kwetsbaar moesten worden beschouwd.
2.4. Bijeenkomst van deskundigen
Als voorbereiding op de bijeenkomst van deskundigen werd een
discussienota opgesteld. Toen al was duidelijk geworden dat
de verstrekking van rechtsbijstand, de terbeschikkingstelling
van vertalers en tolken, de verklaring van de rechten en de
identificatie van kwetsbare verdachten de meestbelovende gebieden
waren om onmiddellijk onder de loep te nemen. Vanuit Europees
gezichtspunt was het de Commissie ook duidelijk dat buitenlandse
verdachten gemakkelijk in het nadeel, en dus bijzonder kwetsbaar
zouden kunnen zijn. De Commissie was voornemens zich te buigen
over de kwestie van vertalers en tolken en de opneming van
onderdanen van andere landen in de categorie kwetsbare verdachten.
Voorts werd besloten deze maatregelen aan te vullen met een
andere maatregel die op buitenlandse verdachten betrekking
had, namelijk ervoor te zorgen dat hun consulaire bijstand
werd aangeboden overeenkomstig een bestaande overeenkomst terzake
waarbij alle lidstaten reeds partij waren.
De discussienota gaf derhalve een uiteenzetting over de vijf
gebieden waarop de Commissie had besloten zich in dit stadium
te concentreren, en deze gebieden vormden het uitgangspunt van
onze discussies.
2.5. "Grondrechten"
Hoewel alle rechten die het concept "rechten inzake een
eerlijk proces" uitmaken, belangrijk waren, concludeerde
de Commissie dat sommige rechten dermate fundamenteel waren dat
zij in dit stadium voorrang moesten krijgen. In de eerste plaats
was dat het recht op juridisch advies en bijstand. Indien een
beschuldigde geen advocaat heeft, is het minder waarschijnlijk
dat hij zijn andere rechten kent en de eerbiediging van deze
rechten kan afdwingen. De Commissie beschouwt dit recht als de
grondslag van alle andere rechten. Voorts moet de verdachte weten
waarvan hij wordt beschuldigd en de aard van de procedure begrijpen;
het is dan ook essentieel dat degenen die de proceduretaal niet
verstaan, de beschikking krijgen over vertolking van hetgeen
wordt gezegd en vertaling van belangrijke documenten. Uit de
raadpleging bleek dat er veel steun was voor de verklaring van
de rechten waarmee een verdachte schriftelijke informatie over
zijn fundamentele rechten zou krijgen in een taal die hij begrijpt.
Verschillende geënquêteerden waren het ermee eens
dat rechten slechts effectief zijn indien de verdachte ze kent
- dit leek de Commissie een eenvoudige, goedkope manier om ervoor
te zorgen dat alle verdachten hun rechten kennen. De Commissie
wilde een onderdeel opnemen over de meest kwetsbare personen
in de samenleving, hoewel het niet gemakkelijk bleek om vast
te stellen wie hieronder valt. Zij heeft daarom voorgesteld dat
de lidstaten hun politie en justitie vragen de kwestie van de
potentiële kwetsbaarheid van een verdachte in overweging
te nemen en passende maatregelen te nemen, zonder precies vast
te leggen wie als "kwetsbaar" moet worden beschouwd.
De Commissie is van mening dat als de potentiële kwetsbaarheid
in een vroeg stadium van de procedure aan de orde komt, gecombineerd
met de plicht om passende maatregelen te treffen, dit een verbetering
voor de betrokkenen betekent. Tenslotte wilde de Commissie, aangezien
zij had vastgesteld dat onderdanen van andere landen in strafzaken
in het nadeel waren, een maatregel opnemen die de buitenlander
ongetwijfeld helpt, namelijk het aanbieden van consulaire bijstand.
Dit recht bestaat in beginsel al vele jaren, maar de Commissie
wilde deze gelegenheid aangrijpen om ervoor te zorgen dat het
volledig werd geëerbiedigd door het in dit Groenboek op
te nemen als uitvloeisel van de andere door haar voorgestelde
rechten voor onderdanen van andere landen.
Dit Groenboek beoogt geen nieuwe rechten in te stellen of toe
te zien op de eerbiediging van rechten die krachtens het EVRM
of andere instrumenten bestaan, maar de bestaande rechten vast
te stellen die de Commissie als fundamenteel beschouwt en de
zichtbaarheid van deze rechten te bevorderen.
2.6. Rechten die in het Groenboek niet worden behandeld
Alle in de discussienota beschreven rechten zullen te zijner
tijd door de Commissie worden behandeld naar gelang van de
prioriteiten van een Europese Unie met 25 lidstaten.
Twee van de door de Commissie beschreven rechten bleken aparte
maatregelen te rechtvaardigen: het recht op borgtocht (voorlopige
invrijheidstelling in afwachting van het proces) en het recht
op zorgvuldige behandeling van bewijsmateriaal.
De werkzaamheden in verband met het recht op borgtocht (waaronder
ook detentieomstandigheden vallen), dat op zichzelf een belangrijk
en omvangrijk gebied vormt, werden in een vroeg stadium van de
werkzaamheden inzake andere waarborgen losgemaakt. Dit recht
vormt het onderwerp van een maatregel van het programma inzake
wederzijdse erkenning (maatregel nr. 10) en kan beter als een
apart vraagstuk worden behandeld. In het werkprogramma van de
Commissie voor 2003 is een mededeling over dit onderwerp opgenomen.
Het werkprogramma voor dit jaar omvat ook een mededeling over
de onderlinge aanpassing, tenuitvoerlegging en erkenning van
strafrechtelijke sancties in de EU. Deze maatregel beoogt een
gelijke behandeling van veroordeelden in gehele EU te waarborgen,
zodat mensen die in een andere dan hun eigen lidstaat worden
veroordeeld, niet worden gediscrimineerd op grond van hun buitenlandse
nationaliteit.
Zorgvuldigheid bij het omgaan met bewijsmateriaal heeft betrekking
op vele rechten en vele aspecten van de procedure. Het werd al
snel duidelijk dat dit gebied in een afzonderlijke maatregel
moest worden behandeld, aangezien het te omvangrijk was om te
worden opgenomen in een Groenboek waarin reeds verschillende
rechten worden voorgesteld. De Commissie besloot dan ook om aan
dit onderwerp meer tijd te besteden en er een specifiek onderzoek
aan te wijden zodra het eerste stadium van de werkzaamheden inzake
procedurele waarborgen was afgerond. De Commissie is thans begonnen
met de werkzaamheden met betrekking tot waarborgen inzake zorgvuldigheid
bij het verzamelen van en omgaan met bewijsmateriaal. Deze hebben
onder meer betrekking op het zwijgrecht, het recht om getuigen
te laten horen, het probleem van anonieme getuigen, het recht
op bekendmaking van ontlastend bewijs, hoe het vermoeden van
onschuld moet worden opgevat (of er omstandigheden zijn waaronder
de bewijslast kan worden omgekeerd) en vele andere aspecten van
het bewijsrecht. Artikel 48 van het Handvest van de grondrechten
van de EU bepaalt dat "eenieder tegen wie een vervolging
is ingesteld, [...] voor onschuldig [wordt] gehouden totdat zijn
schuld in rechte is komen vast te staan". De behandeling
van niet-veroordeelde verdachten in verband met voorlopige hechtenis
en de kwestie van de omkering van de bewijslast zijn aspecten
van hetzelfde beginsel die zowel bij de werkzaamheden inzake
het recht op borgtocht als bij die inzake het bewijs aan de orde
zullen komen.
Voorts wordt een studie verricht van het ne bis in idem-beginsel
(een in het programma inzake wederzijdse erkenning opgenomen
maatregel). Artikel 50 van het Handvest van de grondrechten bepaalt
dat "niemand [...] opnieuw [wordt] berecht of gestraft in
een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor
hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld
overeenkomstig de wet". Griekenland heeft aangekondigd dat
het snel een initiatief over dit onderwerp zal indienen; bij
de beoordeling van de noodzaak om aanvullende voorstellen in
te dienen in het licht van zeer recente jurisprudentie zal rekening
worden gehouden met dit initiatief. Op 10 februari 2003 heeft
het Hof van Justitie arrest gewezen in de gevoegde zaken C-187/01
en C-385/01 inzake de tenuitvoerlegging van artikel 54 van de
Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen. Het
Hof oordeelde dat een persoon in een lidstaat niet mag worden
vervolgd voor dezelfde feiten als die ten aanzien waarvan in
een andere lidstaat een onherroepelijke beslissing is genomen,
zelfs wanneer bij de procedure geen gerechtelijke instantie betrokken
is geweest.
Verstekvonnissen werden niet als een van de belangrijkste prioriteiten
voor de werkzaamheden inzake waarborgen beschouwd, zodat dit
werd uitgesteld. Thans hopen wij in 2004 een Groenboek aan dit
onderwerp te wijden, zodat wellicht eind 2004 of begin 2005 een
wetgevingsvoorstel kan worden ingediend.
Ten aanzien van slachtoffers van misdrijven is een aantal initiatieven
genomen naar aanleiding van het Groenboek van de Commissie over
slachtoffers van misdrijven in de EU - Reflecties over normen
en maatregelen[21]. Op 15 maart 2001 is een kaderbesluit inzake
de status van het slachtoffer in de strafprocedure goedgekeurd[22].
Op 16 oktober 2002 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn
van de Raad betreffende de schadeloosstelling van slachtoffers
van misdrijven ingediend[23].

3. UIT HET VERDRAG VOORTVLOEIENDE VERPLICHTINGEN EN BESTAANDE
BEPALINGEN
3.1. Inleiding
Artikel 6 van het VEU bepaalt: "De Unie eerbiedigt de grondrechten,
zoals die worden gewaarborgd door het op 4 november 1950 te Rome
ondertekende Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden en zoals zij uit de
gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten
voortvloeien, als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht." Bij
de evaluatie van gemeenschappelijke minimumnormen is de Commissie
om die reden uitgegaan van het EVRM. Het EVRM bevat zelf minimumnormen
die gemeenschappelijk zijn omdat alle lidstaten partij zijn bij
dit verdrag. Het EVRM wordt aangevuld door de jurisprudentie,
dus wanneer behoefte bestaat aan verduidelijking, is deze vaak
te vinden in de vonnissen van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens. Het Groenboek is evenwel niet bedoeld om ervoor
te zorgen dat de lidstaten zich houden aan het EVRM, maar om
ervoor te zorgen dat de hier genoemde rechten in de gehele Europese
Unie consequent en uniform worden toegepast.
3.2. Het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 6 van het EVRM bevat garanties inzake een eerlijk proces.
Het luidt als volgt:
ARTIKEL 6
1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen
of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare
behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door
een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld.
De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang
tot de rechtszaak kan aan de pers en het publiek worden ontzegd,
gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het
belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale
veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen
van minderjarigen of de bescherming van het privé leven
van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter
onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld,
wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging
zou schaden.
2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor
onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast
te staan.
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in
het bijzonder de volgende rechten:
(a) onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden,
op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de
tegen hem ingebrachte beschuldiging;
(b) te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn
voor de voorbereiding van zijn verdediging;
(c) zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben
van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende
middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door
een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de
belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;
(d) de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen
en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge
te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is
met de getuigen à charge;
(e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij
de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of
niet spreekt."
De diverse rechten waarvan lid 3 een onvolledige opsomming bevat,
weerspiegelen sommige aspecten van het begrip van een eerlijk
proces in strafzaken[24]. Het "doel" van het EVRM wordt
pregnant beschreven in de zaak Artico tegen Italië[25],
waarin het Hof oordeelde: Het Hof wijst erop dat het Verdrag
niet is bedoeld om theoretische of illusoire rechten, maar praktische
en effectieve rechten te waarborgen; dit geldt in het bijzonder
voor de rechten van de verdediging, gelet op de prominente plaats
die in een democratische samenleving wordt ingenomen door het
recht op een eerlijk proces, waaruit deze rechten voortvloeien.
3.3. Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
De juridische status van het Handvest is al enige tijd onderwerp
van discussie.
Het Handvest wordt steeds vaker door het Gerecht van eerste
aanleg van de Europese Gemeenschappen (GEA) [26] geciteerd, evenals
in vele conclusies van de advocaten-generaal[27]. Waar zij de
status ervan hebben besproken, hebben zij steeds verklaard dat
het niet bindend is[28]. Desalniettemin hebben zij verklaard
dat het Handvest "formuleringen [bevat] die grotendeels
reeds elders vastgestelde rechten lijken te erkennen"[29]
en dat in bepaalde artikelen van het Handvest algemeen aanvaarde
beginselen zijn vervat[30]. Het Hof van Justitie zelf heeft tot
op heden nog niet naar het Handvest verwezen, zelfs in gevallen
waarin dat in de conclusie van de advocaat-generaal wel het geval
was.
Tijdens de Europese Raad van Laken van 15 december 2001 hebben
de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten een verklaring
over de toekomst van de Europese Unie aangenomen waarin het volgende
staat: "Voorts moet erover worden nagedacht of het Handvest
van de grondrechten in het basisverdrag moet worden opgenomen
en moet men zich afvragen of de Europese Gemeenschap niet moet
toetreden tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens."
Op 6 februari 2003 heeft het Praesidium aan de leden van de
Conventie over de toekomst van Europa een ontwerptekst voorgesteld
van de eerste artikelen van het verdrag tot instelling van een
grondwet voor Europa[31]. Voorgesteld wordt dat het Handvest
van de grondrechten van de Europese Unie een integrerend deel
van de grondwet vormt:
"Artikel 5: Grondrechten
1. Het Handvest van de grondrechten vormt een integrerend deel
van de Grondwet. […]
2. De Unie kan toetreden tot het Europees Verdrag tot bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De toetreding
tot dit Verdrag laat de bevoegdheden van de Unie, zoals bij deze
Grondwet omschreven, onveranderd.
3. De grondrechten, zoals gewaarborgd door het Europees Verdrag
tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden en voortvloeiend uit de gemeenschappelijke constitutionele
tradities van de lidstaten, maken als algemene beginselen deel
uit van het recht van de Unie."
Dit ontwerp krijgt steeds meer steun.
3.4. Andere instrumenten
Er zijn de volgende andere internationale instrumenten die procedurele
waarborgen bieden voor in strafzaken verwikkelde personen en
waarbij alle lidstaten[32] partij zijn:
-het Handvest der Verenigde Naties van 1945,
-het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten van 1966,
-het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963,
-het Statuut van het Internationaal Tribunaal voor het voormalige
Joegoslavië van 1993. Dit statuut is krachtens de artikelen
25 en 103 van het Handvest der Verenigde Naties bindend voor
de lidstaten.
-het Statuut van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda van
1994. Dit statuut is krachtens de artikelen 25 en 103 van het
Handvest der Verenigde Naties bindend voor de lidstaten.
-het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van
1998.
Het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten
Dit instrument werd goedgekeurd als resolutie van de Algemene
Vergadering van de Verenigde Naties[33]. Dit betekent dat het
niet algemeen bindend is[34], maar aangezien de erin vervatte
rechten in een verdrag zijn gecodificeerd, is het bindend voor
de staten die het ratificeren of ertoe toetreden. Voorts wordt
bij dit verdrag het Comité voor de rechten van de mens
ingesteld, dat gezaghebbende richtsnoeren geeft met betrekking
tot de rechten inzake een eerlijk proces. De hier relevante artikelen
zijn de artikelen 9 en 10, die als bijlage bij dit Groenboek
zijn opgenomen.
Het Statuut van Rome
Krachtens artikel 55 (rechten van een persoon tijdens een onderzoek)
en artikel 67 (rechten van de verdachte) van het Statuut van
Rome hebben verdachten uitgebreide rechten. Deze artikelen zijn
als bijlage opgenomen. Het is duidelijk dat het Statuut van Rome
iets verder gaat dan het EVRM. Het is interessant dat dit instrument,
waartoe op intergouvernementele basis is besloten, voorziet in
zeer uitgebreide waarborgen voor personen die worden verdacht
van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht.
Het is opgesteld door vertegenwoordigers van de internationale
gemeenschap, inclusief alle lidstaten. Het verdient vermelding
dat de internationale gemeenschap deze waarborgen heeft erkend
als "minimumwaarborgen" voor toekomstige verdachten
voor het Internationaal Strafhof, terwijl verdachten in "normale" strafzaken
in de gehele Europese Unie niet altijd een dergelijk niveau van
bescherming genieten.

4. HET RECHT OP JURIDISCHE BIJSTAND EN VERTEGENWOORDIGING DOOR
EEN ADVOCAAT
4.1. Inleiding
De kernvraag is waarschijnlijk de toegang tot juridische bijstand
en vertegenwoordiging door een advocaat. De verdachte die een
advocaat heeft, verkeert in een veel betere positie wat betreft
de uitoefening van al zijn andere rechten, ten dele omdat de
kans groter is dat hij van deze rechten op de hoogte is en ten
dele omdat een advocaat hem erbij zal helpen gedaan te krijgen
dat zijn rechten worden geëerbiedigd. Het is dus wenselijk
te beginnen met het recht op toegang tot juridische bijstand
en vertegenwoordiging door een advocaat.
4.2. Bestaande bepalingen
Het recht op een advocaat is in verschillende instrumenten verankerd
- in het EVRM, in het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie en in andere instrumenten[35].
4.2. (a) EVRM
De "rechten" van "een ieder tegen wie een vervolging
is ingesteld" zijn vervat in artikel 6, lid 3:
"3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft
in het bijzonder de volgende rechten:
[…]
(c) zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben
van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende
middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door
een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de
belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen; […]"[36]
4.2. (b) Handvest van de grondrechten
Artikel 47 (Recht op een doeltreffende voorziening in rechte
en op een onpartijdig gerecht) luidt:
"Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde
rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende
voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel
gestelde voorwaarden.
Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling
van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk
en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder
heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en
vertegenwoordigen.
Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende
financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk
is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen."
4.2. (c) Het Europees Hof van Justitie
In Hoechst tegen Commissie[37] oordeelde het Hof uitdrukkelijk
dat het recht op vertegenwoordiging een van de grondrechten in
de administratieve procedure is en dat schending van dit recht
ertoe kan leiden dat sancties worden opgelegd. Het ging hierbij
niet om strafzaken, maar de formulering van het Hof had een algemeen
karakter: "Ook al komen [...] bepaalde rechten van de verdediging
enkel aan de orde in procedures op tegenspraak, volgend op een
mededeling van punten van bezwaar, andere rechten, zoals het
recht op rechtsbijstand [...] moeten ook reeds in het voorafgaande
onderzoek worden geëerbiedigd."
4.2. (d) Andere internationale instrumenten
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten bepaalt:
"3. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem
ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid,
recht op de volgende minimumgaranties:
[…]
d) in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen
of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval
hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis
te worden gesteld; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien
het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor
betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende
middelen beschikt […]."
Het Statuut van Rome
De rechten van de beschuldigde worden behandeld in twee artikelen
van het Statuut van Rome. Artikel 55, lid 2, dat betrekking heeft
op het stadium vóór het proces, bepaalt het volgende:
[…]2. Wanneer er gronden zijn om aan te nemen dat een persoon
een misdrijf heeft begaan waarover het Hof rechtsmacht bezit
en die persoon zal worden ondervraagd door de Aanklager of door
nationale autoriteiten op grond van een verzoek gedaan ingevolge
Deel 9 van dit Statuut, wordt die persoon, alvorens te worden
ondervraagd, geïnformeerd dat hij tevens de volgende rechten
heeft: […]
c. het recht op rechtsbijstand naar eigen keuze, of, indien
hij geen rechtsbijstand geniet, deze toegevoegd te krijgen, in
alle gevallen waarin het belang van de rechtsbedeling dit eist;
dit is kosteloos in die gevallen waarin betrokkene niet over
voldoende middelen beschikt om daarin zelf te voorzien;
d. het recht te worden ondervraagd in aanwezigheid van een raadsman
tenzij hij daarvan vrijwillig afstand heeft gedaan."
En artikel 67, dat betrekking heeft op het proces zelf, bepaalt:
"1. Bij de vaststelling van een tenlastegelegd feit heeft
de beschuldigde recht op een openbare zitting met inachtneming
van het in dit Statuut bepaalde, die op eerlijke en onpartijdige
wijze wordt gehouden, en op de volgende minimumwaarborgen, op
gelijke voet met de Aanklager: […]
b. te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten voor de
voorbereiding van de verdediging en vrijelijke en vertrouwelijke
communicatie met de raadsman van zijn keuze;
c. terecht te staan zonder buitensporige vertraging;
d. onverminderd het bepaalde in artikel 63, tweede lid, aanwezig
te zijn ter terechtzitting, verweer te voeren in persoon of door
middel van door hem gekozen rechtsbijstand, op de hoogte te worden
gesteld van dit recht wanneer hij geen rechtsbijstand heeft en
rechtsbijstand toegewezen te krijgen door het Hof in alle gevallen
waarin het belang van de rechtspleging dit vereist, en zonder
betaling indien de beschuldigde niet over voldoende middelen
beschikt; […]"
Het Statuut van het Internationaal Joegoslavië-Tribunaal:
Artikel 18 van dit Statuut bepaalt:
"3. Indien hij wordt ondervraagd, heeft de verdachte het
recht te worden bijgestaan door een raadsman naar eigen keuze,
inclusief het recht om kosteloze rechtsbijstand toegewezen te
krijgen indien hij niet over voldoende middelen beschikt om deze
zelf te bekostigen […]."
In artikel 20 van het Statuut van het Internationaal Rwanda-Tribunaal
zijn soortgelijke rechten verankerd.
4.2. (e) Vertegenwoordiging door een advocaat in burgerlijke
zaken op EU-niveau - een vergelijking
In januari 2002 heeft de Commissie een voorstel voor een richtlijn
van de Raad tot verbetering van de toegang tot de rechter bij
grensoverschrijdende zaken, door middel van gemeenschappelijke
minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand en andere financiële
aspecten van civiele procedures in de gehele EU ingediend[38].
Deze maatregel is op 27 januari 2003[39] goedgekeurd. Hierin
is bepaald dat "natuurlijke personen" onder bepaalde
voorwaarden recht hebben op "adequate rechtsbijstand".
Hoewel de voorwaarden voor de toekenning van rechtsbijstand in
civiele procedures enigszins verschillen van die voor strafzaken
en civiele procedures onder de eerste pijler vallen, vormt deze
tekst een model voor de harmonisatie van normen voor vertegenwoordiging
door een advocaat. Uiteraard gelden in het burgerlijk recht en
gebieden die onder de eerste pijler vallen, andere overwegingen.
4.3. Discussie en vragen
Het recht op rechtsbijstand en vertegenwoordiging is neergelegd
in het EVRM en de jurisprudentie van het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens. In de laatste jaren heeft de internationale
gemeenschap de oprichting van de twee ad hoc-tribunalen voor
voormalig Joegoslavië en Rwanda en het Internationaal
Strafhof meegemaakt, en het statuut van al deze tribunalen
bepaalt dat de beschuldigde het recht op vertegenwoordiging
door een raadsman heeft en dat deze rechtsbijstand kosteloos
moet zijn indien hij niet over de middelen beschikt om deze
zelf te bekostigen. Dit betekent dat het recht op rechtsbijstand
en vertegenwoordiging als grondrecht wordt aanvaard. De vraag
is hier dus niet of dit recht zich voordoet, maar hoe dit de
eerbiediging van dit recht het best kan worden gewaarborgd.
4.3. (a) Wanneer doet dit recht zich voor?
Het recht op vertegenwoordiging doet zich onmiddellijk na de
aanhouding voor (of deze nu in een politiebureau of elders geschiedt)[40]
hoewel voor de komst van de advocaat natuurlijk een redelijke
tijd moet worden uitgetrokken. Dit geldt dus ook voor het stadium
vóór het proces[41]. Een verdachte heeft recht
op vertegenwoordiging gedurende het gehele stadium van verhoor
en ondervraging. Indien de verdachte in dit vroege stadium het
aanbod van vertegenwoordiging heeft afgewezen, hem vervolgens
een strafbaar feit ten laste wordt gelegd, en hij nog steeds
niet door een advocaat wordt vertegenwoordigd, moet hij aan zijn
recht worden herinnerd en moet, indien hij dit recht wil uitoefenen,
zo spoedig mogelijk een advocaat te zijner beschikking worden
gesteld.
4.3. (b) Waarop heeft de beschuldigde recht?
De rechten krachtens artikel 6, lid 3, onder c), van het EVRM,
rekening houdend met het basisoogmerk van de waarborging van
een eerlijk proces, en krachtens bovengenoemde andere relevante
bepalingen, kunnen als volgt worden samengevat:
– De verachte heeft, zodra hem een strafbaar feit ten
laste is gelegd, het recht:
– zichzelf te verdedigen indien hij dit wenst, of
– te worden bijgestaan door een raadsman naar zijn eigen
keuze, en
– kosteloze rechtsbijstand te ontvangen indien hij niet
over voldoende middelen beschikt om deze zelf te bekostigen en
indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.
Artikel 6, lid 3, onder b), van het EVRM voorziet in het recht
om "te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig
zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging". Dit recht
moet worden geëerbiedigd zonder dat de tijd tussen de tenlastelegging
en het proces buitensporig lang wordt, aangezien zowel artikel
5, lid 3, van het EVRM als artikel 9, lid 3, van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepalen dat
iedereen die is gearresteerd of gedetineerd "onverwijld" voor
de rechter moet worden gebracht.
Het recht om zichzelf te verdedigen
Indien de beschuldigde beslist van dit recht gebruik te maken,
moet hij tijdens de zittingen aanwezig zijn om zichzelf praktisch
en doeltreffend te verdedigen. Uiteraard is het recht "te
beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de
voorbereiding van zijn verdediging" krachtens artikel 6,
lid 3, onder b), van het EVRM van cruciaal belang voor de verdachte
die zichzelf wenst te verdedigen. Hoewel de Commissie het recht
om zichzelf te verdedigen erkent, houdt zij zich om voor de hand
liggende redenen niet bezig met de situatie van de verdachte
die zichzelf wenst te verdedigen. Het is de omgekeerde situatie
van de verdachte die juridische bijstand en vertegenwoordiging
wenst en dit recht niet kan uitoefenen, die tot bezorgdheid aanleiding
geeft.
Het recht op een advocaat naar eigen keuze
Artikel 6, lid 3, onder c), van het EVRM, artikel 14 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
en artikel 18 van het Statuut van het Internationaal Joegoslavië-Tribunaal
voorzien uitdrukkelijk in het recht van de verdachte om zijn
eigen advocaat te kiezen. Dit recht is in het algemeen alleen
van toepassing wanneer de verdachte voldoende middelen heeft
om deze te bekostigen.
Het recht op kosteloze vertegenwoordiging door een advocaat
Artikel 6, lid 3, onder c), van het EVRM, artikel 14 van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
artikel 55 van het Statuut van Rome, artikel 18 van het Statuut
van het Internationaal Joegoslavië-Tribunaal en andere instrumenten
voorzien uitdrukkelijk in het recht van de verdachte kosteloze
rechtsbijstand te ontvangen "indien hij niet over voldoende
middelen beschikt om deze zelf te bekostigen".
De verdachte behoeft niet aan te tonen dat hij "zonder
enige twijfel" niet over de middelen beschikt om zijn verdediging
te bekostigen[42]. Sommige lidstaten voeren een inkomensonderzoek
uit om na te gaan of de verdachte "niet over voldoende middelen
beschikt om zijn verdediging te bekostigen". Andere lidstaten
bieden aan iedereen kosteloze rechtsbijstand aan omdat het uitvoeren
van een inkomensonderzoek duur is en sommige kosten onder bepaalde
omstandigheden op de verdachte kunnen worden verhaald. Op dit
gebied kunnen de lidstaten het best het systeem hanteren dat
hen het kosteneffectiefst lijkt.
Het recht op kosteloze vertegenwoordiging door een advocaat
is geen onvoorwaardelijk recht. Het EVRM, het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Statuut
van Rome bepalen dat dit recht zich voordoet "indien de
belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen". De
moeilijkheid ligt in het vaststellen van criteria die in de gehele
EU kunnen worden toegepast om te bepalen wanneer "de belangen
van een behoorlijke rechtspleging" dit eisen. In Quaranta
tegen Zwitserland wees het Europees Hof voor de Rechten van de
Mens erop dat met drie factoren rekening moest worden gehouden:
– de ernst van het misdrijf en de zwaarte van de mogelijke
straf,
– de complexiteit van de zaak en
– de persoonlijke situatie van de verdachte[43].
Het gaat hierbij om ruime categorieën die vele gevallen
omvatten waarin thans wellicht geen kosteloze rechtsbijstand
wordt verstrekt.
Het recht op kosteloze rechtsbijstand brengt niet het recht
mee om een advocaat te kiezen, maar sommige lidstaten bieden
deze keuze wel, en elke advocaat die door de verdachte of in
het kader van een nationale rechtsbijstandregeling wordt ingeschakeld
moet in ieder geval "effectieve bijstand"[44] verlenen.
In de zaak Benham tegen Verenigd Koninkrijk (1996) oordeelde
het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat waar vrijheidsberoving
in het geding is, de belangen van een behoorlijke rechtspleging
in beginsel rechtsbijstand vereisen. Sommige lidstaten breiden
dit beginsel uit tot strafbare feiten waarbij verdachten niet
alleen een vrijheidsstraf riskeren, maar ook het verlies van
hun baan of bestaansmiddelen. Sommige lidstaten gaan nog verder
en bieden rechtsbijstand aan voor alle strafbare feiten behalve
minder ernstige, zoals verkeersovertredingen of winkeldiefstal[45].
Minimumvereisten
Het is niet genoeg dat de staat een advocaat toewijst; de verstrekte
rechtsbijstand moet ook effectief zijn, en de staat heeft de
plicht om ervoor te zorgen dat de advocaat over de informatie
beschikt die nodig is om de verdediging te voeren[46]. De beschuldigde
moet van zijn advocaat alle informatie krijgen die nodig is om
de aard en de gevolgen van de tegen hem ingebrachte beschuldiging
te begrijpen. Hij moet op de hoogte worden gebracht van zijn
eventuele zwijgrecht (of van de negatieve conclusies die uit
zijn zwijgen kunnen worden getrokken), van de gevolgen van een
bekentenis en van het gewicht dat in een later stadium van de
procedure aan zijn verweer kan worden toegekend.
Artikel 6 in combinatie met andere artikelen
Artikel 1 van het EVRM (Verplichting tot eerbiediging van de
rechten van de mens) luidt als volgt:
De Hoge Verdragsluitende Partijen verzekeren een ieder die ressorteert
onder haar rechtsmacht de rechten en vrijheden die zijn vastgesteld
in de Eerste Titel van dit Verdrag.
Artikel 14 van het EVRM (Verbod van discriminatie) luidt als
volgt:
"Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag
zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op
welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst,
politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst,
het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte
of andere status."
In combinatie met elkaar betekenen deze artikelen dat de door
artikel 6 geboden waarborgen inzake een eerlijk proces moeten
gelden voor alle personen op het grondgebied van een lidstaat,
ongeacht hun nationaliteit en ongeacht of zij legaal op het grondgebied
van de staat verblijven. Het recht op vertegenwoordiging door
een advocaat in strafzaken en alle daarmee samengaande rechten
die hierboven zijn besproken, moeten dus voor iedereen in het
land beschikbaar zijn. Artikel 14 verbiedt de meeste vormen van
discriminatie.
4.3. (c) Welke voorzieningen moeten de lidstaten treffen?
De vragenlijst van de Commissie aan de lidstaten bevatte een
vraag over de toegang tot rechtsbijstand en vertegenwoordiging
door een advocaat. De regelingen in de lidstaten varieerden aanzienlijk.
De Commissie is geïnteresseerd in het idee van nationale
regelingen in de lidstaten, zodat de regels over wie in aanmerking
komt, in een lidstaat op uniforme wijze worden toegepast. Dit
zou tot een billijker systeem leiden, aangezien alle politieambtenaren
die aanhoudingen verrichten, vertrouwd zouden zijn met de in
dat land geldende bepalingen. Indien deze bepalingen ook schriftelijk
aan aangehouden personen zouden worden uitgelegd (zie punt 6
- Verklaring van de rechten - hieronder), zou dit de doorzichtigheid
ten goede komen en leiden tot een betere algemene bekendheid
van dit recht.
In sommige lidstaten wordt juridisch advies na de aanhouding
op pro bono-basis verstrekt door stagiairs en studenten. Juristen
die onder dergelijke omstandigheden juridische bijstand verlenen,
moeten competent zijn omdat de procedure anders niet in overeenstemming
is met het EVRM. Indien er niet voldoende gekwalificeerde advocaten
bereid zijn dergelijk werk te doen, kan dat ten dele zijn omdat
de beloning niet aantrekkelijk genoeg is. Wanneer stagiairs juridische
bijstand verlenen aan gearresteerden, en dit geldt trouwens voor
alle juristen die dit werk doen, moet er enige vorm van kwaliteitscontrole
zijn. Deze kwaliteitscontrole moet ook van toepassing zijn op
de voorbereiding van het proces en het proces zelf. De lidstaten
moeten dus een mechanisme invoeren om de bekwaamheid te waarborgen.
De Commissie erkent dat regelingen voor het verstrekken van
juridische bijstand en vertegenwoordiging op kosten van de staat
zeer duur zijn. Hierbij komt natuurlijk de vraag aan de orde
of deze plicht ook geldt voor personen die sommige of alle juridische
kosten kunnen betalen en voor personen aan wie alleen minder
ernstige strafbare feiten ten laste worden gelegd. Sommige lidstaten
voeren een inkomensonderzoek uit, waarbij mensen bijvoorbeeld
in aanmerking komen indien zij "minder dan twee keer het
maandelijks minimumloon verdienen". Andere lidstaten kennen
geen drempelwaarde en zijn van mening dat het duurder is om na
te gaan over welke middelen de verdachte beschikt dan om zonder
inkomensonderzoek rechtsbijstand te verstekken. De Commissie
vraagt zich af of er met het oog op de kosten van het systeem
gemeenschappelijke normen moeten zijn ten aanzien van de ernst
van het strafbare feit waarvoor kosteloze rechtsbijstand wordt
verstrekt, en of bepaalde onbeduidende strafbare feiten kunnen
worden uitgezonderd. Deze volgende vragen weerspiegelen deze
overwegingen:
Vraag 2:
Zouden alle lidstaten, om te zorgen voor gemeenschappelijke
minimumnormen inzake de verenigbaarheid met artikel 6, lid 3,
onder c), van het EVRM, moeten worden verplicht een nationale
regeling vast te stellen voor het verstrekken van rechtsbijstand
in strafzaken?
Vraag 3:
Indien de lidstaten ertoe worden verplicht een nationale regeling
voor het verstrekken van rechtsbijstand in strafzaken vast te
stellen, moet het dan ook verplicht zijn na te gaan of de bezoldiging
toereikend is om de regeling voor advocaten aantrekkelijk te
maken?
Vraag 4:
Indien de lidstaten ertoe worden verplicht een nationale regeling
voor het verstrekken van rechtsbijstand in strafzaken vast te
stellen, moet het dan ook verplicht zijn de bekwaamheid, ervaring
en/of andere kwalificaties te verifiëren van de advocaten
die aan de regeling deelnemen?
Vraag 5:
Artikel 6, lid 3, van het EVRM bepaalt dat aan iemand tegen
wie vervolging is ingesteld, kosteloze rechtsbijstand wordt verstrekt "indien
hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te
bekostigen". Hoe moeten de lidstaten bepalen of de verdachte
al dan niet een raadsman kan bekostigen?
Vraag 6:
Artikel 6, lid 3, van het EVRM bepaalt dat aan iemand tegen
wie vervolging is ingesteld, kosteloze rechtsbijstand wordt verstrekt "indien
de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen".
Moet dit recht worden beperkt tot strafbare feiten waarop een
vrijheidsstraf staat, of moet het ook gelden wanneer de verdachte
bijvoorbeeld zijn baan of reputatie kan verliezen?
Vraag 7:
Indien voor alle strafbare feiten behalve "minder ernstige" rechtsbijstand
wordt verstrekt, welke definitie van "minder ernstige strafbare
feiten" zouden dan in alle lidstaten aanvaardbaar zijn?
Vraag 8:
Moeten er andere sancties zijn dan de uitspraken van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens indien een lidstaat geen juridische
bijstand en vertegenwoordiging verstrekt aan een persoon die
daar recht op heeft?

5. HET RECHT OP EEN BEKWAME, GEKWALIFICEERDE (OF ERKENDE) TOLK
EN/OF VERTALER ZODAT DE VERDACHTE WEET WAT HEM TEN LASTE WORDT
GELEGD EN DE PROCEDURE BEGRIJPT
5.1. Inleiding
Het recht op toegang tot een bekwame tolk en tot vertaling van
belangrijke documenten is een fundamenteel recht. De verdachte
moet uiteraard begrijpen waarvan hij wordt beschuldigd. Dit recht
bestaat al lang – het is verankerd in het EVRM en in andere,
hieronder beschreven instrumenten. Dit recht heeft aan belang
gewonnen nu veel meer mensen van het ene land naar het andere
reizen, niet alleen wegens vakantie of werk, maar ook om er te
gaan wonen. De moeilijkheid ligt niet in het vaststellen van
het bestaan van dit recht, maar in de tenuitvoerlegging ervan.
De beroepen gerechtstolk en -vertaler zijn niet zo goed georganiseerd
als andere (zoals conferentietolk), maar daar komt verandering
in, aangezien gemeenschappelijke normen inzake opleiding worden
vastgesteld, methoden voor registratie of erkenning worden ontworpen
en een gedragscode wordt opgesteld. Het doel is hier de meningen
over dit specifieke punt te peilen, en niet het recht op toegang
tot vertaling en vertolking te bevestigen. Het is echter noodzakelijk
een kort overzicht van de wettelijke bepalingen te geven om te
bepalen wat de minimumvereisten zijn.
(De rechten van doven, die ook een doventolk nodig hebben, worden
behandeld in deel 6 – Passende bescherming voor bijzonder
kwetsbare groepen.)
EVRM
Artikel 5, lid 2, luidt als volgt:
"Een ieder die gearresteerd is moet onverwijld en in een
taal die hij verstaat op de hoogte worden gebracht van de redenen
van zijn arrestatie en van alle beschuldigingen die tegen hem
zijn ingebracht."
En artikel 6:
3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in
het bijzonder de volgende rechten:
(a) onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden,
op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de
tegen hem ingebrachte beschuldiging;
(…)
(e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij
de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of
niet spreekt.
Andere internationale instrumenten
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
Artikel 14, lid 3, luidt als volgt:
"Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde
strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op
de volgende minimumgaranties:
(a) onverwijld en in bijzonderheden, in een taal die hij verstaat,
op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de
tegen hem ingebrachte beschuldiging; […]
(f) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij
de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet
spreekt."
Het Statuut van Rome
Artikel 55 (Rechten van personen gedurende een onderzoek) bepaalt:
"1. Ten aanzien van een opsporingsonderzoek ingevolge dit
Statuut wordt een persoon:
[…] c. indien ondervraging plaatsvindt in een andere taal
dan een taal die de persoon volledig begrijpt en spreekt, kosteloos
bijstand verleend door een bevoegde tolk en krijgt hij de vertalingen
die noodzakelijk zijn om aan de vereisten van billijkheid te
voldoen; […]"
en artikel 67 (Rechten van de beschuldigde [tijdens het proces])
bepaalt:
"1. Bij de vaststelling van een tenlastegelegd feit heeft
de beschuldigde recht op een openbare zitting met inachtneming
van het in dit Statuut bepaalde, die op eerlijke en onpartijdige
wijze wordt gehouden, en op de volgende minimumwaarborgen, op
gelijke voet met de Aanklager:
a. onverwijld en in detail op de hoogte te worden gesteld van
de aard, de reden en de inhoud van het hem tenlastegelegde, in
een taal die hij volledig begrijpt en spreekt; […]
f. kosteloos bijstand te krijgen van een bevoegde tolk en de
vertalingen die noodzakelijk zijn om te voldoen van de vereisten
van eerlijkheid, indien een onderdeel van de procedure of een
document dat aan het Hof wordt overgelegd niet is gesteld in
een taal die de beschuldigde volledig begrijpt en spreekt; […]."
Grotius-projecten 98/GR/131 en 2001/GRP/015
In het kader van het Grotius-programma van de Commissie is steun
verleend voor een tweejarig onderzoek naar de wijze waarop gelijkwaardige
normen inzake juridische vertolking en vertaling in alle lidstaten
kunnen worden bevorderd. Hieraan hebben instellingen uit België,
Denemarken, Spanje en het Verenigd Koninkrijk deelgenomen. De
resultaten van dat project (98/GR/131) zijn in boekvorm gepubliceerd
onder de titel Aequitas – Access to Justice Across Language
and Culture[47]. De aanbevelingen van het project hebben betrekking
op de selectie, opleiding, beoordeling en erkenning van gerechtstolken
en -vertalers. Er is een model voor een gedrag- en beroepscode
opgesteld, samen met voorgestelde registratie- en tuchtprocedures
en een analyse van interdisciplinaire regelingen tussen juridische
diensten en linguïsten. Om de in de eerste fase verzamelde
informatie te verspreiden wordt in het kader van het Grotius-programma
(2001/GRP/015) de tweede fase van dit werk gefinancierd. Dit
onderzoeksproject heeft een grote bijdrage geleverd aan de vorming
van het standpunt van de Commissie inzake de terbeschikkingstelling
van gerechtstolken en -vertalers.
5.2. Discussie en vragen
Verdachten die de procestaal niet spreken of verstaan (bijvoorbeeld
omdat zij geen onderdaan van het betrokken land zijn) zijn
duidelijk in het nadeel. Hierbij kan het gaan om mensen die
op vakantie zijn of die voor hun werk tijdelijk in een ander
land zijn en na korte tijd weer naar huis zullen terugkeren.
De kans is groot dat zij geen enkele kennis hebben van het
rechtsstelsel of de gerechtelijke procedures van het betrokken
land. Zij zijn ongeacht hun omstandigheden bijzonder kwetsbaar.
Volgens de Commissie is dit recht, dat zoals gezegd in vele
instrumenten is verankerd, dan ook bijzonder belangrijk. Zoals
gezegd is het probleem niet de aanvaarding van dit recht door
de lidstaten[48], maar het voorzieningenniveau en de wijze
van terbeschikkingstelling en, wat wellicht het belangrijkst
is, de kosten van de tenuitvoerlegging. De vragen vallen dan
ook uiteen in twee categorieën, waarbij de eerste betrekking
heeft op het voorzieningenniveau en de tweede op de wijze van
terbeschikkingstelling.
5.2.1.Voorzieningenniveau
5.2.1 (a) Wanneer dient taalkundige bijstand te worden verstrekt?
De Commissie zijn geen mechanismen bekend om te bepalen of een
verdachte "de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat
of niet spreekt"[49]. Dit wordt ad hoc beslist door de mensen
waarmee de verdachte in contact komt (politieambtenaren, advocaten,
personeel van gerechtelijke instanties, enz.) [50]. De plicht
om de billijkheid van de procedure te waarborgen ligt wat dit
betreft, en dat geldt ook voor andere aspecten, uiteindelijk
bij de rechter, die deze zaak met de grootste zorgvuldigheid
moet overwegen[51]. Uiteraard is het wenselijk dat taalproblemen
lang voor het begin van het proces aan het licht komen.
5.2.1. (b) Moet de bijstand van een tolk kosteloos zijn?
In de zaak Luedicke, Belkacem and Koç tegen Duitsland
oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat artikel
6, lid 3, onder b), betekent dat iedereen die de ter terechtzitting
gebruikte taal niet kan spreken of verstaan, het recht heeft
gratis bijstand van een tolk te ontvangen, zonder dat de daarbij
gemaakte kosten later van hem kunnen worden teruggevorderd[52].
In deze zaak heeft de staat (Duitsland) zonder succes getracht
de kosten van vertolking na de veroordeling terug te vorderen.
In de zaak Kamasinski tegen Oostenrijk[53] oordeelde het Hof
dat dit beginsel ook gold voor de vertaling van documentenmateriaal.
Alle andere instrumenten waarin naar vertolking en vertaling
wordt verwezen, bepalen dat de verdachte onder normale omstandigheden
niet voor deze diensten hoeft te betalen. Men kan dus uitdrukkelijk
stellen dat de bijstand van gerechtstolken en -vertalers in strafzaken
kosteloos is voor de verdachte.
5.2.1. (c) Reikwijdte van de plicht om vertalers en tolken beschikbaar
te stellen
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld
dat artikel 6, lid 3, onder e), niet betekent dat een schriftelijke
vertaling van alle schriftelijke bewijsstukken of officiële
documenten in de procedure vereist is.
Het Hof heeft geoordeeld dat documentenmateriaal moet worden
vertaald, maar dat deze plicht beperkt is tot de documenten die
de verdachte moet begrijpen om een eerlijk proces te hebben[54].
De regels over de hoeveelheid materiaal die wordt vertaald, verschillen
naar gelang van de lidstaat en de aard van de zaak. Deze verschillen
zijn aanvaardbaar zolang het proces eerlijk blijft.
Tijdens alle zittingen moet voor vertolking worden gezorgd.
In geval van een belangenconflict kunnen twee tolken nodig zijn,
een voor de verdediging en een voor het openbaar ministerie (of
het gerecht, afhankelijk van het rechtsstelsel). Het volstaat
niet om alleen te voorzien in vertolking van rechtstreeks tot
de verdachte gerichte vragen en de door hem gegeven antwoorden.
De verdachte moet alles wat wordt gezegd (door advocaten, de
rechter en getuigen) kunnen begrijpen. Het Europees Hof voor
de Rechten van de Mens oordeelde dat de verstrekte bijstand door
een tolk van dien aard moet zijn dat de verdachte in staat wordt
gesteld de zaak tegen hem te begrijpen en zich te verdedigen,
met name door zijn versie van de gebeurtenissen tijdens de zitting
weer te geven[55].
5.2.2. Wijze van terbeschikkingstelling
5.2.2. (a) Opleiding, erkenning en registratie
De Commissie is van mening dat alle lidstaten voor opleiding,
erkenning en registratie van gerechtstolken en -vertalers moeten
zorgen om te voldoen aan de vereisten van het EVRM en vele andere
internationale instrumenten. De Aequitas-voorstellen omvatten
de volgende minimumvereisten:
(1) De lidstaten moeten een systeem hebben om gespecialiseerde
tolken en vertalers op te leiden, waarbij het rechtsstelsel wordt
behandeld en bezoeken worden gebracht aan gerechtelijke instanties,
politiebureaus en gevangenissen, met als afsluiting een erkend
diploma.
(2) De lidstaten moeten een systeem voor de erkenning van deze
vertalers en tolken hebben.
(3) De lidstaten moeten een registratieregeling invoeren waarbij
de registratie niet onbeperkt is (bijvoorbeeld 5 jaar) om de
betrokkenen te stimuleren hun talenkennis en kennis van de gerechtelijke
procedures op peil te houden voor het vernieuwen van hun registratie.
(4) De lidstaten moeten een systeem van voortdurende bijscholing
opzetten zodat gerechtstolken en -vertalers hun vaardigheden
op peil kunnen houden.
(5) De lidstaten moeten een beroepscode en richtsnoeren voor
goede werkwijzen opstellen die in de gehele EU hetzelfde moeten
zijn of in sterke mate moeten overeenkomen.
(6) De lidstaten moeten opleiding aanbieden aan advocaten en
rechters zodat deze een beter inzicht krijgen in de rol van de
vertaler en de tolk en dus efficiënter met hen kunnen samenwerken.
(7) De lidstaten moeten voor de bovenstaande vereisten kiezen
voor een interdisciplinaire aanpak waarbij het ministerie van
Justitie of het ministerie van Binnenlandse Zaken betrokken is
bij de aanwerving, opleiding en erkenning van gerechtstolken
en -vertalers.
5.2.2. (b)Twee verschillende beroepen
Hoewel zij vaak als een groep worden beschouwd, moeten tolken
en vertalers, die verschillende vaardigheden hebben en tijdens
strafrechtelijke procedures een versch